geen gerelateerde objecten/artikelen gevonden.

Leonne van Bakel

From VerhalenWiki

Jump to: navigation, search

“Het is een virus, je raakt het nooit meer kwijt”

Kunsthistorica Léonne van Bakel studeerde af op de herwaardering van het Delfts aardewerk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Aanvankelijk had ze geen enkele interesse voor het aardewerk, maar tijdens een stage bij een Amsterdamse antiquair sloeg de vonk over. “Het is een virus. Het is in mijn bloed gaan zitten en nu wil het nooit meer weg.’

Léonne wilde zich tijdens haar studie kunstgeschiedenis specialiseren in kunstnijverheid, met name achttiende-eeuwse meubels. Een Amsterdamse antiquair bood haar een stageplek aan. “Hij verkocht ook veel Delfts aardewerk. Ik had daar weinig belangstelling voor, negeerde het in het begin zelfs, maar op een gegeven moment moest ik er toch mee aan de slag. Voor de PAn (beurs voor kunst, antiek en design) moesten vitrines worden ingericht met Delfts aardwerk. Een mooi klusje voor de stagiaire. Met het zweet in mijn handen heb ik dat gedaan, want ik was me al wel gaan realiseren dat al die - in mijn ogen soms zelfs lelijke - borden, vazen en figuurtjes erg kostbaar waren, zeker een paar honderd euro dacht ik. Pas toen ik de definitieve prijslijst in handen kreeg zag ik dat de prijzen veel hoger lagen. Dat ene bord dat ik zo lelijk vond, bleek erg zeldzaam en moest duizenden euro’s opbrengen…”

Bijzonder nationaal product

Vanaf dat moment begon Léonne zich serieus te verdiepen in het Delfts aardewerk. Iets dat zo waardevol was, dat moest toch wel heel bijzonder zijn. “De doorbraak kwam toen ik beschrijvingen moest maken van alle ‘Delftse’ voorwerpen in de zaak. Ik ben allerlei boeken over dat onderwerp gaan lezen om die teksten te kunnen schrijven. Naarmate ik er meer over te weten kwam, werd ik eigenlijk steeds trotser op het product.” Het toeval wil dat Léonne’s vriend in Delft woont. “In de historische beschrijvingen van de Delftse plateelbakkerijen kwam ik allemaal adressen tegen die me bekend voorkwamen, bijvoorbeeld de Oude Delft, de Lange Geer. Die straten kende ik, daar liep ik regelmatig rond. Zo kwam de aardewerkindustrie voor mij tot leven. Ik was het Delfts aardewerk al gaan waarderen, maar ik had me nooit gerealiseerd dat het zo belangrijk was, dat het ten grondslag lag aan veel Noordeuropese keramiek en dat het tot op heden nog steeds veel impact heeft. Wat een bijzonder nationaal product, dacht ik. Daar mag je best trots op zijn.”

Oud Delfts

Léonne toont haar eerste aanwinst. Foto: Trudy van der Wees
In haar woning aan de Asvest, een gebied waar in het verleden diverse plateelbakkerijen op een kluitje waren gevestigd, koestert Léonne een paar Delftse borden. Het begin van een – hopelijk – uitgebreidere verzameling. “Voor mijn verjaardag mocht ik van mijn baas een bord uitzoeken, een achttiende-eeuws boerendelfts bord. Daarna heb ik er elk jaar een mogen uitzoeken. Ik ben nog niet zo’n actieve koper; Ik heb er hier ook nauwelijks de plek voor die het verdient en het is toch een kostbare liefhebberij. Maar op het moment dat zo’n bordje van jou is, is het hek van de dam. Dan smaakt het naar meer en wil je er alles over weten.” Haar liefde ligt bij Delfts aardewerk dat is geproduceerd voor het einde van de negentiende eeuw. “Alles wat na 1900 is geproduceerd, de succestijd van De Porceleyne Fles, vind ik minder interessant. Ik richt mij voornamelijk op tingeglazuurd Delfts aardewerk (faience) uit de periode 1650-1820, dat overigens ook in andere kleuren of meerdere kleuren (polychrome) werd uitgevoerd, niet alleen in het blauw. Wat De Porceleyne Fles vanaf het einde van de negentiende eeuw is gaan maken is technisch gezien een volstrekt ander product.”

Herwaardering

Léonne’s afstudeerscriptie concentreert zich op appreciatie en imitatie van Delfts aardewerk in de tweede helft van de negentiende eeuw. Een bijzondere periode, vindt zij. “Halverwege de negentiende eeuw mocht het Delftse aardewerk, dat jarenlang uit de gratie was geweest, zich verheugen in een hernieuwde populariteit. De meeste aardewerkfabrieken waren rond 1800 gestopt. Zelfs De Porceleyne Fles - eind negentiende eeuw de enige overgebleven Delftse fabriek - had er afscheid van genomen en produceerde uitsluitend keramiek voor industrieel gebruik en creamware (faience fine), vervaardigd van witbakkende kleisoorten, te vergelijken met het Engelse Wedgewood. De negentiende eeuw was echter ook de tijd van het historisme in de architectuur, een stroming die terugblikt op het beroemde nationale verleden en gebruikmaakt van elementen uit het verleden.” En dus werd er ineens ook hevig terugverlangd naar het eens zo populaire Delftse aardewerk, dat een oer-Hollands gevoel uitstraalde. “Rond 1860-1870, toen in heel Europa nijverheidstentoonstellingen plaatsvonden, stelden deskundigen en verzamelaars zelfs de expliciete vraag: wat is er gebeurd met het ‘roemrijke Delfts’. Het was een oproep aan ondernemers om in actie te komen.”

Twee stromingen

Ingenieur Joost Thooft voelde zich aangesproken. In 1876 kocht hij het aardewerkbedrijf De Porceleyne Fles van Geertruida Piccardt met de uiteindelijke bedoeling het destijds weer zeer geliefde Delfts aardewerk nieuw leven in te blazen. Maar hoe werd dat ook alweer gemaakt? De kennis hiervan was bijna verloren gegaan. Léonne: “Thooft nam de tachtigjarige Cornelis Tulk in de arm. Hij had lange tijd bij De Porceleyne Fles gewerkt. Van Tulk leerde hij de techniek van het beschilderen van Delfts aardewerk. Vervolgens ontwikkelde De Porceleyne Fles een nieuw productieproces en bediende zich van zowel traditionele als nieuwe vormen en versieringen. Er werd een volkomen nieuw product gemaakt, het tegenwoordige “Delfts Blauw” dat wereldwijd bijzonder populair is geworden. Echter, vrijwel gelijktijdig met deze ontwikkeling werd het Oud Delfts, zoals dat sinds de zeventiende eeuw in Delft werd gemaakt, compleet legitiem geïmiteerd door fabrikanten in binnen- en buitenland. Hiervoor was blijkbaar een goede afzetmarkt. Ook Tichelaar in Makkum ging zich in die periode richten op ambachtelijk sieraardewerk, gefabriceerd volgens de oude Delftse techniek. Die twee stromingen, allebei ingegeven door een hernieuwde waardering en belangstelling voor het Delfts aardwerk, bestonden dus naast elkaar. Dat maakt de tweede helft van de negentiende eeuw zo’n boeiende periode.”

Tekst: Trudy van der Wees

Beeld: Trudy van der Wees

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies