1 gerelateerd item gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
 
De Prins Willemschool in de zestiger jaren
: R28435

Difference between revisions of "Prins Willemschool"

From VerhalenWiki

Jump to: navigation, search
(Interview op 22 april met mevrouw Bep Mensert door leerlingen van groep 6a van de Max Havelaarschool, Voorstraat 30 te Delft =)
Line 4: Line 4:
 
{{#evp: youtube | tZ-2NEhOC4A| Bep Mensert vertelt | centre }}  
 
{{#evp: youtube | tZ-2NEhOC4A| Bep Mensert vertelt | centre }}  
  
== Interview op 22 april met mevrouw Bep Mensert door leerlingen van groep 6a van de Max Havelaarschool, Voorstraat 30 te Delft ===
+
== Interview op 22 april met mevrouw Bep Mensert door leerlingen van groep 6a van de Max Havelaarschool, Voorstraat 30 te Delft ==
  
 
Leerling: Hadden jullie een tv op school? <br>
 
Leerling: Hadden jullie een tv op school? <br>

Revision as of 13:46, 8 August 2014

Leerlingen van nu waren nieuwsgierig naar de het onderwijs van hun grootouders. Tijdens het project Schoolse tradities hebben Delftenaren hun oude basisschool bezocht. Hieruit kwamen interessante gesprekken voort die zijn vastgelegd op film. Deze zijn nu te zien op WikiDelft. Bep Mensert bezoekt haar oude basisschool, de Prins Willemschool, tegenwoordig basisschool Max Havelaar, en vertelt over de basisschool in haar jeugd.

The #evp parser function was deprecated in EmbedVideo 2.0. Please convert your parser function tag to #ev.

Interview op 22 april met mevrouw Bep Mensert door leerlingen van groep 6a van de Max Havelaarschool, Voorstraat 30 te Delft

Leerling: Hadden jullie een tv op school?
Bep: Ik zat op school voordat de tv uitgevonden was.
Leerling: Dus?
Bep: Nee nee nee. Als wij plaatjes kregen, als wij plaatjes mochten bekijken dan deden we dat uit een platenboek. We hadden grote platen aan de wand hangen. Die heb je vast wel eens gezien, van die schoolplaten waar dus een hele grote voorstelling op stond, bijvoorbeeld van een boerderij. En daar vertelde de leraar dan van. En soms was er een film mogelijk. Maar dat ging heel moeizaam. En dat was dan zo’n apparaat met van die grote ronde schijven. En dat liep er dan weer af en zo. Dat ging allemaal niet zo geweldig.

Leerling: Deden jullie dat vaak of weinig?
Bep: Nou, wat denk je?
Leerling: Ik denk weinig.
Bep: Ja. Tuurlijk, het was een heel groot probleem ook voor de leerkracht.

Bep: Maar hoe heet jij? Mag ik dat even vragen?
Leerling: David.
Bep: David. Oké.

Leerling: Welke straffen heeft u op school gekregen?
Bep: (ze lacht). Oh David, ik heb heel, een heleboel keren in de hoek moeten staan, want dat was in die tijd zo. Dan moest je gewoon in de hoek gaan staan, handen op je rug. Je mocht je niet verroeren, je mocht niet omkijken of wat dan ook. En als ik thuis kwam en het per ongeluk vertelde dan kreeg ik van mijn ouders ook nog een keer op mijn kop, want ik had me goed te gedragen. Zo werkte het toen.

Leerling: Wat waren de schooltijden?
Bep: De schooltijden? Wij hadden school van 9 tot 12 en van 2 tot 4. Dus om 12 uur liepen wij naar huis, want een fiets hadden wij ook nog niet. Dan liepen wij naar huis. Wij aten warm tussen de middag en we moesten om 2 uur weer op school zijn.

Leerling: Welke kleren droegen de kinderen?
Bep: Ik ben in 1944 naar de lagere school gegaan. Dat was in de tijd van de oorlog. Je moet je voorstellen er waren bijzonder weinig kleren te koop. Mijn moeder kon heel goed naaien, dus mijn moeder naaide kleding. En soms gebeurde het wel eens dat ze een grote lap had en dan naaide ze uit die lap twee jurken; één voor m’n oudere zus en één voor mij. Maar ik had de pech dat mijn oudste zus vreselijk hard groeide, dus die kreeg elke keer een nieuwe jurk. En ik had eerst mijn jurk te verslijten, want die ging niet zo maar weg. Je droeg die kleding tot die versleten was. En dan kreeg ik de jurk van mijn zus. Dus ik had misschien wel vier jaar achter elkaar eenzelfde ruitje aan. Een stof met een ruitje. Snap je?
Leerling: Ja.

Leerling: Hoe zag uw school er vroeger uit?
Bep: Hoe heet jij?
Leerling: Isabelle.
Bep: Isabelle. Hoe zag onze school d’r uit? (ze pakt een foto) Dit is hem. De Prins Willemschool A en die stond op de plek waar nu de parkeergarage is in de Phoenixstraat. En die school die had zeven lokalen. Maar na de oorlog zijn er natuurlijk heel veel kinderen geboren, zoals jullie wel weten. De babyboom hè waar men het nu over heeft; die kinderen die dus nu 60 zijn. Toen was de school te klein en toen zijn er twee lokalen bijgebouwd. Nou, voor de parkeergarage is dit stuk afgebroken. Maar die laatste twee lokalen staan er nog steeds. Als je nu het gemeentekantoor inloopt en je kijkt naar richting van de molen dan zie je twee lokalen op elkaar staan. En dat is het laatste stukje van die Prins Willemschool A.

Leerling: En waren de ramen hoog of laag?
Bep: De raampartij was ongeveer zo hoog als deze. Maar we hadden een bovenlicht en ook een onderlicht. Dus je had het raam in drieën verdeeld. Je kon het stukje beneden open doen en het stukje boven.
Leerling: En waren die ramen vaak open?
Bep: Ja, ik denk het wel. Ik denk het wel. Kijk, het is natuurlijk al zo veel jaar geleden dat ik dat niet meer precies weet. Maar toen ik hier vanmorgen binnenkwam toen dacht ik: Oh, wat jammer voor de juf, wat is er hier weinig te ventileren. Terwijl op de Prins Willemschool heel veel te ventileren viel. Maar, vergis je niet: In die tijd was er natuurlijk ook geen, niet dat de ramen heel goed geïsoleerd waren. Dus het tochtte ook vaak via de ramen.

Leerling: En hadden jullie dan dikke kleding aan als het tochtte?
Bep: Nou, dat kan ik me eigenlijk niet zo goed herinneren. Kijk, als ik naar jullie kijk dan hebben jullie een T-shirt aan, een truitje er overheen. Wij hadden altijd 1 stuks bovenkleding aan. En je jas hing in de gang. En je pet - ik zag iemand met een pet op - nou dat kwam niet voor dat je die op je hoofd had in het lokaal. Die was je kwijt. Dus je moet je voorstellen: Je had aan wat je aan had en dan stopte het.

Leerling: Had u vroeger schooluniformen aan?
Bep: Nee, nee, nee, nee. Allemaal eigen kleding.

Leerling: Was uw meester of juf streng?
Bep: Ik denk het wel, ik denk het wel. Ik had ook hele aardige meesters en juffen. Maar de tijd was gewoon anders. Wij moesten doen wat de meester of de juf zei en als je ertegenin ging, of als je kattenkwaad uithaalde, nou dan kon je het weten. Terwijl eigenlijk nu het geheel wat losser is geworden.

Leerling: Werd u gepest?
Bep: Nee ik werd niet gepest.

Leerling: Keken jullie schooltv?
Bep: Die was er niet want er was geen tv.
Leerling: Oké.
Bep: Wij hebben dus, we zijn begonnen met schoolradio. Dus wij moesten dus naar een soort hoorspel luisteren.

Leerling: En waarnaar luisterden jullie dan?
Bep: Nou ik denk, maar dat weet ik niet zeker meer, want daar heb ik eigenlijk helemaal niet over nagedacht. Ik denk dat dat geschiedenisverhalen waren, maar zeker weet ik dat niet.

Leerling: Werd de meester of misschien de juf snel boos op de kinderen in de klas?
Bep: Nee ik denk het niet. Nee, nee. Nee, nee. Nee, nee. Ten minste dat kan ik me niet herinneren, dat staat me helemaal niet voor de geest.
Leerling: Oké.

Leerling: Welke straffen kregen de kinderen in uw klas? Waren er ook andere straffen dan in een hoekje zitten?
Bep: Ja, strafregels schrijven. En je moet rekenen dat je, als je honderd strafregels kreeg dan moest je ook echt honderd regels schrijven.
Leerling: Was dat echt heel erg vermoeiend?
Bep: (ze lacht). Nou je deed het, want je liet het wel om het niet te doen.
Leerling: Oké.

Leerling: Met hoeveel kinderen zat u in één klas?
Bep: Ja, ik heb net zitten tellen. Jullie zijn hier met 26 of zoiets. Ik heb mijn klas geteld en ik meen dat het er 48 waren.
Leerling: Zo groot?
Bep: Ja zo veel.
Leerling: Was dat niet een beetje vervelend soms?
Bep: Als iedereen met 48 kinderen in de klas zit dan maak je daar geen probleem van, want het is gewoon zo. Iedereen zat in een grote klas.
Leerling: Oké.

Leerling: Waren er projecten op school? Bijvoorbeeld met de hele klas dat je iets ging maken of zo?
Bep: Eigenlijk zou ik durven zeggen: totaal niet.
Leerling: Maar zou u dat wel willen gedaan hebben?
(Bep lacht). Bep: Oeh, dan moet ik heel ver teruggraven.
Bep: Of ik dat gedaan zou willen hebben? Joh, als je niet weet hoe zoiets werkt of dat dat bestaat, dan weet je toch niet ervan af?

Leerling: Als u nú in deze klas zou zitten en u mocht het wel doen, vond u het dan leuk geweest zou zijn om dat te doen?
Bep: Om een project te doen?
Leerling: Ja.
Bep: Ik weet het wel zeker. Want ik heb namelijk óók voor de klas gestaan. En ik stam dus toch ook uit de tijd van voor de klas staan dat je aan projecten deed.
Leerling: Oké.

Leerling: Wat was het hoogste cijfer dat u gekregen hebt?
Bep: (ze lacht) Een 10 voor psalmversje opzeggen. Want wij moesten elke week een psalmvers leren en die moest je dan ook hardop opzeggen. En het was mijn eer te na om het niet te kennen. Dus.

Leerling: Kan u het zich nog herinneren dat u nog hele lage cijfers heeft gehad?
Bep: Nee die had ik niet. Die had ik niet. Ik was, ja sorry, ik was best een goeie leerling. Ja. Daar kan ik niks aan doen. Dat is me gegeven hè?

Leerling: Hadden jullie ook vakantie?
Bep: Jawel, wij hadden schoolvakantie. We hadden kerstvakantie, paasvakantie. Ik denk ook pinkstervakantie.
Leerling: Herfstvakantie?
Bep: En de grote vakantie. Niet herfstvakantie en niet voorjaarsva. Of wat hebben jullie?
Leerling: Mei.
Bep: Met meivakantie. Die hadden wij niet. Nee.
Leerling: En waren ze ook best wel lang? Een paar weken of zo?
Bep: Ik meen dat wij zes weken schoolvakantie hadden.
Leerling: Zes weken?
Bep: Zomervakantie. Ja.

Leerling: Ging u ook heel vaak, waren er ook schoolreisjes?
Bep: Ik ben één keer op schoolreis geweest. En die foto heb ik bij me. Want ik ben met de school op schoolreis geweest naar Schiphol. Je moet rekenen na de oorlog was er natuurlijk niet veel geld. Mogelijkheid om te reizen was er ook nauwelijks. Dus schoolreisjes Leerling: waren er niet zo veel.
Bep: Waren er ook bijna niet. Nee.
Leerling: Oké. Ik ben klaar.
Bep: Is het al klaar? Nou, geweldig.

Leerling: Misschien heb ik nog een vraag.
Bep: Jij hebt nog een vraag. Stel hem eens.
Leerling: Waren er ook studiedagen?
Bep: Voor de leerkrachten? Niet dat ik weet hoor. Niet. Niet dat ik weet dat het, dat ik zomaar een vrije dag had. En als dat zo geweest zou zijn, zou ik dat vast wel weten, want dat vond ik best wel leuk om een extra vrije dag te hebben. Nee hoor, studiedagen ik denk dat dat fenomeen helemaal niet bestond. Er was natuurlijk overleg tussen de leerkrachten en het hoofd van de school. Maar zoals dus jouw juf naar een studiedag, noem eens wat, moet gaan, nee dat was er in die tijd niet.

Leerling: Knutselden jullie?
Bep: Wij hadden handwerkles. En oh, en ja daar heb ik leren borduren en leren breien. Trouwens, ik kon al breien, want mijn moeder kon heel goed breien en die heeft mij dus al heel vroeg breien geleerd.

Leerling: Ik heb ook nog een vraag.
Bep: Jij hebt ook een vraag.
Leerling: Wanneer u voor de klas stond ging je ook dan op, ging je toen wel op schoolreisje met de kinderen?
Bep: Ja. Ja. Heel veel. Heel veel. Zeker jaarlijks.
Leerling: Oké.

Leerling: Hadden jullie spreekbeurten?
Bep: Een spreekbeurt? Dat kan ik me van de lagere school niet herinneren. Wel van het lyceum waar ik naar toe gegaan ben. Maar van de lagere school weet ik dat niet.

Leerling: Was u streng als juf?
Bep: Ja. Ik zeg het maar eerlijk. Streng. Doch rechtvaardig zeg ik er maar achteraan. Ja.

Leerling: Ik heb best wel vaak gehoord dat als je iets niet goed deed of als je stout was, dat er kinderen in het kolenhok werden gestopt.
Bep: Dat kan ik me helemaal niet herinneren van een kolenhok, dat dat bij ons op school gebeurde. Het zou best kunnen hoor. Maar het was bij ons op school niet gewoon. Leerling: Oké.

Bep: Ik wilde jullie eigenlijk ook nog wat vertellen. Mag dat?
Trudy (Cicero Publiciteit): Tuurlijk.
Bep. Ja? Want jullie vinden het allemaal zo gewoon wat school is. Maar ik ben in 1944 naar de lagere school gegaan. En in 1944 was het laatste jaar van de oorlog. Dat wisten we natuurlijk toen niet. En de Hongerwinter is in dat jaar ook geweest. Ik ging naar de lagere school. Ik was de koning te rijk. Ik mocht naar school. Ik had een oudere zus; die wist alles al. Dus ik moest en zou ook naar school. Korte tijd was ik op school. Toen werd de school gevorderd. Wat is nou “vorderen”? Nou, van de Duitsers waarschijnlijk uit, is gezegd dat men de school nodig had voor bijvoorbeeld soldaten te huisvesten. Of misschien, er brandde geen kachel meer, dat tie daarom dichtgegaan is. Dat weet ik echt niet. Maar ik had een onderwijzeres, juffrouw Kranenburg en juffrouw Kranenburg - als je een heleboel oudere Delftenaren spreekt en je zegt “juffrouw Kranenburg” dan zegt men: “Oh ja juffrouw Kranenburg”! Nou, en juffrouw Kranenburg die had dus die eerste klas waar ik in zat en die heeft ze in groepen verdeeld. En toen heeft ze uitgezocht bij welke ouders er nog een kachel brandde en daar ging ze lesgeven. Dus je moet je voorstellen dat bij ons thuis brandde de kachel. Twee keer in de week op een morgen kwamen er tien kinderen bij ons in de huiskamer. Op het dressoir stond een schoolbord. Dressoir - zeg maar de kast - daar stond een schoolbord. Dat was een soort kartonnen bord waar je op kon schrijven. Met een krijtje natuurlijk. En dan kwam juffrouw Kranenburg en die kwam ons lesgeven. Nou, dan ging ze weg en dan kwam ze na 3 dagen weer terug. Eén middag in de week moest onze hele klas bij een bakkerij komen. Een bakker bakte nog brood. En de bakkerij was natuurlijk ’s middags nog warm van het broodbakken van ’s morgens. Nou, daar aan grote schragen zaten we en dan kregen we klassikaal les. En dat gebeurde één keer in de week.

En in ’45 was de oorlog afgelopen. Nou, toen ging ik naar de tweede. En daarna is het natuurlijk gewoon goed gegaan. Maar ik weet meneer Van Konijnenburg, die kwam zo even met dit bordje aan. En toen zei ik: “Ja, dat zat in onze klas: lokaal 1a”. Er was ook een klas 1b. Ik zat in 1a. En in 1b was een onderwijzeres die in Den Haag woonde. Ja, die woonde in Den Haag en die kon natuurlijk onmogelijk meer naar Delft komen, want vervoer was er niet. De tram reed niet, de trein reed niet. Alles waar je naar toe ging moest je lopend doen, dus die mevrouw kon nooit meer naar Delft komen. Die kinderen hebben nauwelijks les gehad in de eerste klas. En ik weet nog toen ik in de zesde klas zat, was er maar één meisje uit die 1b-klas die in zes jaar de lagere school doorgekomen was. Want andere kinderen zijn allemaal blijven zitten, gewoon omdat ze te weinig onderwijs gehad hebben.

Dat was eigenlijk het verhaal wat ik jullie wilde vertellen, want ik vind het eigenlijk toch wel wat apart om dus in de oorlog op school gezeten te hebben.

Bep: Vertel het eens.
Leerling: Ik zie daar een plaat staan met bomen. Ik zie dat u die plaat vast heeft. Waar is dat?
Bep: Nou dat is de Prins Willemschool A. Dit is de oude kerk en dit is dus het oude stuk van de school. Toen waren die twee lokalen, waar ik zoëven van vertelde die je nog kunt zien staan, niet aangebouwd.
Leerling: Oké.

Bep: Jij mag het zeggen, die jongen met die pet.
Leerling: Wat was jullie fijnste klas?
Bep: Jullie fijnste klas?
Leerling: Ja.
Bep: Ja, ik kon het niet verstaan. Mijn plezierigste klas was denk ik de vierde klas, want toen had ik meester Van, of meneer Van Kesselen (fonetisch) en dat was een schat van een man. Oh ja en dat wás ook zo: Je kreeg toen pas in de vierde klas aardrijkskunde en geschiedenis. Nou, dat was voor mij een openbaring. Dus ik vond dat gewoon enig.

Leerling: Welke school vond u leuker: de basisschool of de middelbare school?
Bep: Dat weet ik niet goed. De basisschool was, of de lagere school was voor mij dus gewoon de school waar ik heel veel leerde. Toen ben ik naar het christelijk lyceum gegaan. En in de zomervakantie van de tweede naar de derde, denk ik, is mijn vader overleden. En mijn vader overleed aan het begin van de vakantie en mijn opa aan het eind van de zomervakantie. Dus ik was toen helemaal, ik moet zeggen ik ben vreselijk goed opgevangen, hele lieve mensen. Maar ik ben dus na de derde klas daar van school afgegaan gewoon omdat ik, ja zelf ziek was, zou je kunnen zeggen. Ziek van verdriet, denk ik. Ja?

Bep: Ik ga even naar jou. Als je je naam even zegt dat vind ik wel leuk.
Leerling: Wat zijn die dingetjes die daar in liggen?
Bep: Dat is niet van mij. Dat is van jullie onderwijs. Maar ik kan het je wel vertellen. (tegen een leerling) Zou je me willen helpen?
(Ze pakken een glazen bak waar katoen in ligt).
Dank je wel. Ik las dat hier “Baumwolle” staat? Wat betekent Baumwolle? Wie weet dat? Zeg het maar.
Leerling: Breiwol.
Bep: Je zit in de goede richting. Baum, het is Duits. Baum welk Nederlands woord zou “Baum” zijn?
Leerling: Boom.
Bep: Boom. Nou het is dus iets wat aan een boom groeit. Het is dus de binnenkant van een vrucht.
Leerling: Oh dat groeit in een, dat ene zachte stof wat in een land groeit.
Bep: Ja maar ik ga jullie uit de droom helpen, want het is verder helemaal niet. Het is gewoon katoen.
Leerling: ja!
Bep: Het is gewoon katoen. Kijk, jullie vroegen net hoe wij dus projecten deden en of ik film kreeg en of ik dia’s kreeg. Nou dit soort kasten hadden wij dus heel veel. En dan werd dus verteld zoals het dus nou zit werd dat dus ergens opgehangen en dan vertelde de meester ervan. Nou spiek ik even. Oh er zit niet een vrucht van de katoenplant bij, maar het is dus van de katoenplant. En er wordt verteld hier hoe het gemaakt wordt. En hier heb je dan dus die draadjes die ervan gemaakt zijn. Nou dit is vast wat meneer Van Konijnenburg nog over heeft van onze ouwe school.

Leerling: Had u ook veel vriendinnen?
Bep: Zou je het nog een keer willen zeggen?
Leerling: Had u veel vriendinnen?
Bep: Ik had heel veel vriendinnen. Je moet je voorstellen: Jullie gaan al van jongs af aan naar hockey, zwemles, tennisles, misschien wel dansles, misschien wel een zangkoor. Dat was er allemaal niet. De Duitsers hadden dat allemaal verboden in de oorlog. Je mocht geen samenscholingen hebben. Dus er mochten geen mensen in groepen zijn. Maar ook dus geen kinderen in groepen. Nou na de oorlog is de padvinderij weer opgericht en ik was heel snel kaboutertje. En ik ben op Excelsior, de gymvereniging geweest. Maar verder weet ik eigenlijk niet van sportverenigingen in Delft hoor. Er was gewoon helemaal niet veel.

Leerling: Had u ook vrienden?
Bep: Ik had heel veel vriendinnen, ja.
Leerling: Nee, vrienden?
Bep: Vrienden? Ja kijk, want wat speelden we? Heette dat? Ik geloof dat we dat noemden tiefie, tiefie met de klos of zoiets. Diefie met verlos? Nou dat deden dus een jongen en een meisje, die speelden dus. Dat speelde je dan met elkaar. Maar dat deed je op school. Verder dus niet.

Leerling: Speelde u met vrienden en vriendinnen buiten ook? Op het plein?
Bep: Ik speelde op straat. Op het schoolplein? Als de school afgelopen was dan ging je naar huis want je moeder was thuis. Je moeder zat thuis met de theepot en je kwam dus thuis en je kreeg een kopje thee en dan mocht je buitenspelen.
Leerling: Had u ook veel buurkinderen wel?
Bep: Er waren veel buurkinderen ja. Ja ja. En het verkeer was niet zó erg, dus je kon ook rustig buitenspelen.

Leerling: Hadden ze toen wel gewone auto’s?
Bep: Er waren auto’s, maar heel weinig. Heel weinig.
Leerling: Niet wat je nu dus allemaal auto’s ziet, verkeer?
Bep: Oh nee. Oh nee. Oh nee. Grachten leeg van auto’s.
Leerling: Dus zie je eigenlijk af en toe een auto?
Bep: ja ja ja ja.

Bep: Even kijken wie ik nog niet gehad heb. Jou heb ik nog niet gehad.
Leerling: Wist de juffrouw alle namen van de hele klas?
Bep: Of de juffrouw alle namen van de, van alle kinderen kende? Natuurlijk! Natuurlijk. Die kent jouw juf toch ook?
Leerling: Ja maar bij jullie in de klas zaten veel meer kinderen.
Bep: Ja, maar weet je? Als er 30 zijn dan ken je 30 namen. Als er 50 zijn dan ken je 50 namen. Zo werkt dat. Ja toch?

Leerling: Waarom hadden de Duitsers samenscholing verboden?
Bep: Kijk, dat heb ik natuurlijk nooit aan ze gevraagd. Maar wat denk je zelf? Nee? Nou kijk, de Duitsers dat waren natuurlijk de mensen die Nederland binnengevallen waren. Die wilden hier de baas spelen. Dus die wilden helemaal niet graag dat er dus vijf mensen, vijf Nederlanders bij elkaar zaten en dan met elkaar praatten, want dan wisten ze niet wat er afgesproken werd. Ze waren dus bang voor plannetjes van de Nederlanders die tegen de Duitsers zouden kunnen zijn. En dat had men dus voor volwassenen bepaald, maar dat had men ook voor kinderen bepaald, dus ook voor verenigingen. Je moet je voorstellen er is ook een hele tijd geweest in de oorlog dat je vóór 8 uur binnen moest zijn. Je mocht dus na acht uur niet meer op straat zijn.

Bep: Vertel het maar.
Leerling: Ik heb eigenlijk twee vragen.
Bep: Nou, probeer het eens.
Leerling: Hoe groot waren de groepen?
Bep: Dat heb ik verteld.
Leerling: Nee, ik bedoel de groep. Kijk bij ons is de klas zó groot, maar bij jullie.
Bep: Het lokaal bedoel je?
Leerling: Ja.
Bep: Oh! Ik dacht dat je het aantal kinderen bedoelde. Het lokaal? Ja, in mijn ogen groot, maar hóe groot? Ik heb later voor de klas gestaan. En toen waren de lokalen 7 bij 7 meter minimaal, dus ik denk in die tijd dus ook wel.

Leerling: Mijn tweede vraag is: Waarom mocht je dan niet na 8 uur meer buiten zijn?
Bep: Ik denk ook om het samenscholingsgebeuren. En je moest zorgen dat er geen licht naar buiten scheen, dus wij hadden verduisteringsgordijnen. Wij hadden dus zwarte gordijnen, rolgordijnen. Papieren hoor. Ik denk dat dat ook was in verband met bombardementen en overvliegende vliegtuigen dat men dus van bovenaf niet kon zien waar steden lagen. Kijk, nu gaat alles op radar en wat voor technische snufjes er zijn, maar dat was toen niet. Als men naar Duitsland vloog, vanuit Engeland bijvoorbeeld, dan vloog men de Rijn af. Men ging bij Rotterdam Nederland binnen en de Rijn af en dan zo naar het Ruhrgebied.

Bep: Even kijken wie ik nog niet gehad heb. Die jongen met de bril.
Leerling: Hadden jullie ook stagiaires in de klas?
Bep: Stagiaire? Ja maar die heetten. Dat deftige woord als ‘stagiaire’. Dat waren dus mensen die studeerden voor onderwijzeres of voor onderwijzer en die moesten dus ‘kweken’, heette dat. Die moesten dus lesgeven in een klas bij een oudere leerkracht. Eigenlijk hetzelfde als stagiaire.

Bep: Even kijken. Jou heb ik ook nog niet gehad.
Leerling: Hadden jullie ook tienminutengesprekken?
Bep: Je bedoelt voor de ouders?
Leerling: Ja.
Bep: Ja, er waren ouderavonden, maar of dat nou per se tienminutengesprekken waren dat weet ik niet. Wel in mijn tijd, toen ik zelf voor de klas stond. Maar in de tijd van m’n ouders dat weet ik niet, in de tijd dat ik leerling was dat weet ik niet.

Bep: Dat meiske heb ik nog niet gehad. Met dat paarse shirtje aan.
Leerling: Hadden jullie ook speelafspraakjes?
Bep: Speelafspraakjes? Je bedoelt dat je bij elkaar thuis ging spelen?
Leerling: Ja of buiten.
Bep: Wij speelden op zondagmiddag altijd bij elkaar, mijn vriendinnetje en ik. Maar je moet rekenen: een fiets hadden we niet. We moesten alles lopen. Dus…dat lukte vaak niet. Wel als natuurlijk je vriendje of je vriendinnetje dicht bij je woonde. Er woonde bij ons op de gracht ook een jongetje waar ik heel veel mee speelde. Nou dan, daar ging ik gewoon naar toe. Maar dus mijn echte vriendin van de lagere school die dus - ik denk - wel 2 kilometer ver bij mij vandaan woonde, daar moest je naar toe lopen. En dat gebeurde eigenlijk alleen op zondagmiddag.

Leerling: Ik zit bij de waterscouting en vroeger werd de boot Corbulo, die werd gebruikt om tanks te gaan voeren.
Bep: Zou best kunnen. Daar weet ik niets van. Maar ik geloof het graag.

Bep: Jij had nog geen beurt gehad, begrijp ik.
Leerling: Zaten jullie net zoals wij in groepjes?
Bep: Nee, keurig in rijtjes. Allemaal in rijtjes… Groepsgebeuren was er niet bij.

Leerling: Hadden jullie ook zulke tafels met laatjes erin en zo?
Bep: Wij hadden geen laatjes, wij hadden vakken. Vakken. Maar ja, soortgelijk. En we hadden natuurlijk - want wij schreven nog met pen en inkt - een gleuf boven in je tafel waar je pen in kon liggen en een inktpot.

Bep: Ja, sorry, daar helemaal achterin. Dat is de laatste denk ik. Oh nee, dat meiske nog.

Bep: Die jongen met dat grijzige overhemd.
Leerling: Hoeveel meesters en juffrouwen had u?
Bep: Hoeveel meesters of juffrouwen? Elke. Jullie hebben heel vaak twee juffen of twee meesters per klas. Maar dat parttime lesgeven dat was er helemaal niet bij. Je had allemaal een volledige baan. Dus als het een zesklassige lagere school was, waren er zes leerkrachten.

Leerling: Maakte u ook werkstukken?
Bep: Ik kan me dat niet herinneren. En ik moet je vertellen dat ik eigenlijk alles bewaard heb van schooldingen. Ik heb dus wel boekjes van de kleuterschool waar ik plakwerkjes in heb. Maar van de lagere school een werkstuk kan ik me niet herinneren en ik heb het niet. Dus. Ik weet het niet.

Trudy (Cicero Publiciteit): Dan hebben we iedereen gehad geloof ik hè?

Bep: Maar zal ik jullie mijn foto’s even laten zien, want misschien zegt dat iets dat je het dan wat beter begrijpt hoe sommige dingen in elkaar zaten.

Bep: Kijk, dit was de eerste klas lagere school. Als je hem nou voorzichtig aan het randje beetpakt en geef hem maar door, dan kan je hem allemaal bekijken.
Docent: Misschien kun je even wachten, dan kunnen we hem ook op het bord laten zien.

Bep: Dit is dus de juffrouw Kranenburg met de eerste klas lagere school.
Trudy (Cicero Publiciteit): Dat bent u in uw jonge jaren?
Bep: Dat ben ik in de eerste klas. En dit is de klassenfoto van de vierde klas. En daar ben ik dan ook bij.
Trudy (Cicero Publiciteit): Geweldig. Die leggen we dan even op de beamer.
Bep: Dit is het schoolreisje naar Schiphol. En dit is de kleuterschool.
Bep: En die is ook van de kleuterschool.
Bep: Dit was in 19.., ik meen ’43, was er een feestje op de kleuterschool en die jongen en dat meisje waren bruidspaar. Maar die eigenwijze die d’r uitsteekt met die witte strik in het haar en dat witte kraagje dat ben ik.

Bep: En ik heb op de kleuterschool gezeten hier in het voorhuis waar nou die dansschool is. Dat is de zandbak van de kleuterschool. En weer die witte strik. Ik denk dat mijn moeder een grote voorraad witte strikken had. Die witte strik dat was ik.
Trudy (Cicero Publiciteit): Was dat op school, die zandbak?
Bep: Op de kleuterschool. Ik heb hier in het voorhuis op de kleuterschool gezeten, want in de oorlog was onze kleuterschool ook gevorderd. En toen was er een onderwijzeres die bij de Rotterdammer Poortbrug ging staan en ons meenam naar de kleuterschool.

Bep: Dit is het schoolreisje naar Schiphol. Dat waren dus twee klassen. Nou, wie ziet mij? Leerling: Ja, hier.
Bep: Ja? Waar zie je me aan? Waar herken je me?
Leerling: Ik denk daar met dat witte strikje in.
Bep: Met die witte strik. Ja hoor. En ik had staarten, dus een strik bovenop en twee strikken in m’n staarten. En zo’n schuine tas had ik over uh. En een wit jasje aan of zoiets, een licht jasje.

Bep: Oh ja, eerste klas lagere school. Nee, dit is de vierde klas. Maar ik moet zeggen dat ik gisteren toen ik ernaar keek zag dat ik toch nog aan het wisselen was. Ten minste mijn gebit ziet er niet zo geweldig uit.
Trudy (Cicero Publiciteit): Droeg iedereen een strik in die tijd?
Bep: Nou dat moet u op die foto’s kunnen zien.

Bep: Dit is onze klassenfoto.
Leerling: Ja, ik zie u!
Bep: Ja, daar zit ik rechts onderin. En dat is dan die aardige meneer Van Kesselen, rechts. En links is meneer Greve, het hoofd van het school.

Bep: Dat is de eerste klas lagere school, voordat dat huisonderwijs begon. Links is mijn zus: Truus Mensert.
Leerling: Die heeft ook een strik.
Bep: Je ziet op d’r jurk een ‘t’ en een ‘m’. En ik ben dus die witte strik. Ook een strik, ja joh. Mijn moeder die vond het prachtig, dus.

Bep: En dat is dan juffrouw Kranenburg, eerste klas lagere school. Kijk, je kan zien we hadden allemaal glas in lood. Waar juffrouw Kranenburg tegenaan leunt, dat waren eigenlijk hele grote kaartenbakken. En daar achter was glas in lood en daar zat dus dat stukje ‘lokaal klas 1a’ in. Ik vertelde van zo’n schoolplaat. Rechts bovenin zie je nou zo’n hele grote plaat. Je kunt hem heel slecht onderscheiden, maar dat was dan zo’n plaat die voor het bord gehangen werd en waar dan de juf of de meester van vertelde.

Trudy (Cicero Publiciteit): En je ziet die bankjes hier heel goed.
Bep: Oh ja die bankjes. Ja, ja, ja, ja. Oh volgens mij zijn dat, als ik het zo zie, aap noot mies of zo.
Trudy (Cicero Publiciteit): Ja, dat lijkt het wel.
Bep: De leesplank. Ja.

Leerling: Daar onder, wat is dat?
Bep: Zou u nog een keer die laatste foto neer willen leggen, want hij vraagt er iets over. Je vraagt waar dat ovaal in zit, wat dat is? Daar stopten wij onze schriften in.
Leerling: Oké.
Bep: Zoals jullie een laatje hebben, hadden wij alleen een vak.

Leerling: Dus je hoefde hem niet open te doen?
Bep: Nee, nee, nee, nee. Dus dat maakte ook geen herrie.

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies