geen gerelateerde objecten/artikelen gevonden.

Wilhelmus van Nassouweschool

From VerhalenWiki

Revision as of 17:04, 18 December 2017 by Rody (Talk | contribs) (Tekst vervangen - "| centre }}" door "| center }}")

(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
Jump to: navigation, search

Leerlingen van nu waren nieuwsgierig naar de het onderwijs van hun grootouders. Tijdens het project Schoolse tradities hebben Delftenaren hun oude basisschool bezocht. Hieruit kwamen interessante gesprekken voort die zijn vastgelegd op film. Deze zijn nu te zien op WikiDelft. Els Brunner bezoekt haar oude basisschool, de Wilhelmus van Nassouweschool, tegenwoordig de Prins Mauritsschool, en vertelt over de basisschool in haar jeugd.

Interview op 24 maart 2014 met mevrouw Els Brunner door leerlingen van groep 8 van de Prins Mauritsschool op Nassaulaan 54 te Delft.

Leerling: Met hoeveel kinderen zat u in de klas?
Els: Daar vraag je me wat! Als ik zo eens hier rondkijk dan denk ik dat we er toch wel iets meer hadden. Hoeveel hebben jullie er?
Leerling: Wij hebben er 24, nou 25.
Els: Ik denk dat wij wel rond de 35 zaten.

Leerling: En was dat leuk voor u? Of was het juist minder leuk?
Els: Daar had ik absoluut geen last van. Ik was net zo makkelijk als ik nú nog ben was ik ook op de eerste klas van de, wij zeiden dan “lagere school”. Ja? En dat was dus niet groep 3 zoals jullie in de eerste klas zeggen, maar ik zat in de eerste klas.
Leerling: Ja
Els: Want de kleuterschool die had ik wel gedaan, dat was de kleuterschool maar die stond helemaal los van de basisschool. Die zat ook in een andere straat, er waren andere juffrouwen. En daar heb ik ook nog hele leuke herinneringen aan, aan mijn kleuterschooltijd, want ik ben pas nog een meisje tegengekomen waar ik mee op de foto sta op de kleuterschool. En zij kende mij helemaal niet meer. En ik dacht dat ik haar herkende dus ik heb haar aangesproken. Ik zeg: ‘Mag ik even iets aan u vragen? “Ja” zeg ze “natuurlijk mag dat”. Ik zeg: “Volgens mij bent u Ploni Lagerwerf” (fonetisch). “Ja” zegt ze “dat klopt”.
Ik zeg: “Nou wij zaten samen op de kleuterschool”. En weet je hoeveel jaar geleden dat was?
Leerling: Nou?
Els: Ik ben nu 73 en toen was ik 5. En hoeveel jaar geleden is dat dan?
Leerling: 68 jaar.
Els: Super! Nou en wij hebben weer een praatje gemaakt samen. Ja dat was echt heel apart. Nee hoor, ik had nooit moeite met alle kinderen in de klas. Ik ben net zo als ik nu nog ben, ik ben een mensenmens zeg ik altijd. Ja? Vind je dat mooi gezegd?
Leerling: Ja
Els: Oké. Genoeg zo?
Leerling: Ja

Leerling: Waren er ook extra vakken op uw school?
Els: Nauwelijks. Nauwelijks. Ik weet wel dat toen ik naar de vierde klas ging dat ook heel anders is dan nú, dan kreeg ik wel Franse les. Ja.
Leerling: Hm. Ja?
Els: Want het was toch in die tijd zo dat als je dus of naar de mulo ging, of naar een middelbare school dat je toch een beetje voorbereid moest zijn. Maar dan was eigenlijk Frans was van de drie talen, van Frans, Duits en Engels was Frans de moeilijkste. Dus dan begonnen wij al op de lagere school met Franse les. Daar heb ik dus ook aan meegedaan. Want ik had het geluk dat ik met nog één jongen – en je wil het niet geloven, die jongen heb ik gisteren gesproken. Die kwam ik heel toevallig tegen bij een uitvoering waar ik vrijwilligster ben daar kwam hij luisteren. Ik zeg: “huh? Fred Buitendijk!”. “Ja” zegt'ie, “Elsje Brunner”. Nou hij wist het gelukkig ook nog. Ja. En wij zijn samen naar de middelbare school gegaan. Hij ging naar de hier in Delft, naar de hbs en ik ging naar het CLD. Daar gaan er misschien van jullie ook wel naar toe.
Leerling: Ja.
Els: Ja, dat dacht ik wel: naar het CLD. Maar ik heb toen, dat is heel laat besloten dat ik toch naar het CLD ging. En toen heb ik toch nog wel een klein beetje extra les gekregen. Want ja je moest toelatingsexamen doen. En dan helemaal zonder voorbereiding; dat is toch best wel moeilijk. Dus ze hebben me toch nog een beetje bijgespijkerd. Maar ik heb toelatingsexamen gedaan en ik moest van de vier vakken er drie overdoen. Nou, toen kreeg ik het wel een beetje benauwd hoor. Dat was net zoiets als voor jullie de Citotoets doen daar kun je het een beetje mee vergelijken. Maar toen heb ik die andere drie vakken mondeling overgedaan. Prima. En ik ben nooit blijven zitten. Nou, mocht ik toch wel trots op zijn, vind ik nu nog. Ja?
Oké.

Leerling: En hoe vaak per week had u Frans, of hoe vaak per maand?
Els: Nou wel elke week in ieder geval, maar ik denk niet dat dat meer was dan één keer hoor. Dat denk ik niet. Nee. Ze probeerden dat toch ook wel dat alle leerlingen deden daar ook niet aan mee, want er gingen d’r heel veel jongens toen, dat heette toen de Ambachtsschool wat nu dus lager, middelbaar, lager beroepsonderwijs is?
Leerling: vmbo.
Els: Ja. Voorbereideind, middelbaar. Ja, dat zou kunnen. Ik ben daar niet zo heel goed mee op de hoogte. Want ik ben ook nog geen oma dus ik heb ook nog geen kleinkinderen waar ik dat van hoor. Maar ik ben wel al 20 jaar oppasmoeder, bij één gezin. Al 20 jaar. Die kinderen zijn inmiddels 20 en 18 en 14. En ik ga nog iedere week één keer naar ze toe, want ze willen me niet missen. Ja, zó ging dat.
En, ja de meeste kinderen gingen dan dus naar de... Meisjes naar de Huishoudschool en de jongens naar de Technische School heette dat, nee de Ambachtsschool. Ja. Meisjes Huishoudschool, en meisjes die dan toch wel een beetje verder wilden die gingen naar de mulo. Dus ik was met die jongen die ik van de week tegenkwam ja waren wij toch een beetje de uitzonderingen. Wij mochten naar de middelbare school. En tegenwoordig is dat helemaal niks bijzonders meer. Want weet je welke kinderen er naar de middelbare school gingen? De kinderen van de dokter en de kinderen van de wethouder en de kinderen van de notaris. En mijn vader was maar gewoon een arbeider dus ik was daar echt een uitzondering in. Ja. Maar soms was het ook minder leuk. Want ik weet nog goed, ik had eens een keer andere kleding aan, en die had ik gekregen van iemand. En toen zei iemand in mijn klas: “Het werd ook wel eens tijd dat je wat anders aan had”. En dat heeft me toch toen wel heel veel pijn gedaan. En dat was weer als je op zo’n school zat waar allemaal kinderen waren die toch wel geld hadden. En mijn vader en moeder moesten heel hard ervoor werken om mij te laten leren. Dat was toch wel een groot verschil. Maar, dat zijn we allemaal een beetje vergeten. Hè?
Leerling: Ja.
Els: Het komt nu even boven maar dat was toen.

Leerling: Wat vond u van de leraren?
Els: Ah ja, zo leuk! Nou ja, er waren ook wel eens minder leuke dingen natuurlijk. Ik heb het zelf niet meegemaakt, maar mijn broer zat dan nog een paar klassen hoger dan ik en die is eens een keer door de meester met een liniaal, maar mijn broer was heel slim die trok op tijd zijn hand terug. Toen sloeg de meester zijn liniaal in twee stukken. Op het uh? Hoe noemden wij het nou? Jongens, help me eens, want ik vergeet dingen.
Leerling: Op het bureau?
Els: Ja, op het bureautje.
Rogier (TIVI Producties): lessenaar.
Els: lessenaar! Ja. Da zeg ik toch. Ik heb af en toen een beetje hulp nodig.
Nee, maar ik heb zo’n gezellige school gehad. En ik ken ze allemaal nog bij naam. Ik begon met juffrouw Van Driel. En ik kreeg toen een heel mooie spreuk mee naar huis. Ik heb hem niet meer kunnen vinden, maar ik weet het nog wel. Het was Johannes 3, vers 16. Dat was het. En toen de tweede klas had ik juffrouw Langbroek (fonetisch). En in de derde klas juffrouw Veenstra (fonetisch) en in de vierde klas een meester die kwam uit Limburg, meester Ernstrong (fonetisch) en die praatte zo heerlijk Limburgs. Dat was leuk hoor. Toen kwam meester Dorst in de vijfde klas. En we eindigden met het hoofd van de school die had de hoogste klas, de zesde klas. Ja. Wij praatten, ja jullie praten nu allemaal over groepen, maar bij ons waren het klassen. Maar ik heb helemaal geen vervelende ervaringen. Alleen maar leuk. Gelukkig wel.

Leerling: Wat waren de straffen in de klas?
Els: Ja, daar heb ik eigenlijk toch buiten dit verhaal wat ik net van m’n broer vertelde weinig van mee gekregen. Ik weet niet dat de kinderen in de hoek moesten staan. Ja, strafregels denk ik. Dat was bij ons denk ik nog wel een straf die gegeven werd. Dat je, als je iets toch gedaan had wat niet door de beugel kon dat je dus thuis je strafregels moest schrijven. Maar echt, nou ja ik was zo’n lief meisje dat snap je wel. Ik was altijd overal het lievelingetje, zelfs op de middelbare school nog. En dat ben ik altijd gebleven. Nou ja dat durf ik tegen jullie rustig te zeggen. Hè, op mijn leeftijd. Maar ik uh, nee, jullie zouden het ook aan meesters en juffen mogen vragen voor zover ze er nog zijn. Want de meesten zullen niet meer leven. Want ja, ik ben ook 73 en die waren natuurlijk allemaal nog wel weer even een stukje ouder. Ja.

Leerling: Hoeveel strafregels moest je dan opschrijven?
Els: Oh jongen. Doen jullie dat eigenlijk nog: strafregels schrijven?
Leerling: Dat doen we nie meer.
Els: Nee hè. Nee. Oh gelukkig maar. Dat zal er vanaf gehangen hebben wat voor kwaad je gedaan had. Want ja dat kan natuurlijk een lichte straf geweest zijn, maar het kan natuurlijk ook een zwaardere straf en dan werd het aantal regeltjes natuurlijk steeds meer. Maar ik zeg: ik heb gelukkig weinig weinig vervelende ervaringen. Wel toen ik eenmaal een stapje verder op de middelbare school zat: daar werd ik heel goed in de gaten gehouden, want daar was ik ondeugend en dan moest ik vooraan komen zitten. Maar niet op de basisschool, nee. De basisschool is helemaal goed gegaan.
Leerling: Gelukkig maar.
Els: Brave meid hè? Ja? Goed zo. Dat wou ik horen.

Leerling: Waren er veel schoolreisjes?
Els: Wij hebben met de school voor zover ik weet geen schoolreisjes gehad. Ik ging wel op zondagmiddag ook in dezelfde school naar de zondagsschool. Daar zaten ook de meeste kinderen van de school die gingen daar ook zondag ’s middags naar toe. En met de zondagsschool hebben wij wel reisjes gemaakt. Daar heb ik thuis ook nog foto’s van, maar die heb ik zo gauw niet kunnen vinden. Want mijn fotobestand is een beetje zo van zakjes en doosjes en weet je wel. Ik heb mijn best gedaan, maar ik heb zo veel heb ik niet meegebracht. Nee. Maar schoolreisjes op school dat was in mijn tijd nog niet. Wel jammer natuurlijk hè?
Leerling: hm hm.
Els: Ja, want thuis gingen wij ook niet op vakantie. Dat was in die tijd niet zo. Als kind van een arbeider, daar was gewoon ook geen geld voor.

Leerling: Maar had u dan wel andere dingen, dus niet een schoolreisje maar bijvoorbeeld een project?
Els: Deden wij ook niet. Nee, was bij ons ook nog niet aan de orde. Nee, nee, nee, nee. Ik zat wel gelukkig wel op een gymvereniging. Vanaf m’n kleuterleeftijd heb ik - tot mijn enige dochter geboren is - altijd geturnd, altijd gegymd. Maar dat stond buiten de school. We hadden op school ook wel gymles, hoor. Dat wel. Ja, wij hadden zelf geen gymzaal, maar dan gingen we met de hele bups gingen we dus naar een andere school waar wel een gymlokaal was. En dat was de Elout van Soeterwoudeschool. Zal jullie niks zeggen. Die stond op de Spoorsingel. Iemand van jullie, van de?
Trudy (Cicero): Ja, ik ken hem wel.
Els: Ja, u kent hem wel. Ja. Daar gingen wij naar de gymzaal en dat was ook een uitje. En zwemmen, schoolzwemmen dat hebben we ook wel gedaan. En dat was voor ons allemaal een hartstikke leuke afleiding. Ja.

Leerling: Zaten jullie ook in groepjes net als hier?
Els: Nee, wij zaten niet in groepjes. We hadden gewoon zeg maar twee lessenaartjes naast elkaar. En dan weer twee d’r achter en weer twee d’r achter. Wel zodanig dat de juffrouw of de meester dus er door kon lopen, want ja die moest af en toe natuurlijk wel eens even komen kijken of alles goed ging. Maar gewoon rijen. Ja. Dat was bij ons de opstelling in de klas.

Leerling: En mocht je dan zelf weten naast wie je ging zitten, of besliste de meester dat of de juffrouw dat?
Els: Nou ik denk dat we gewoon bij het begin van het nieuwe schooljaar een plekje zochten, want je wilde toch altijd wel graag naast je beste vriendinnetje. Of willen jullie naast je beste vriendje of misschien ook wel je beste vriendinnetje, ik weet niet hoe dat tegenwoordig is. Maar dan bleef je ook wel het hele schooljaar op die plek zitten, tenzij er een aanleiding voor was dat je dus naar een andere plek moest. Maar dat was dan meestal niet de leukste aanleiding, want dan was je toch weer ondeugend geweest. Dus ja. Goed, wie? Wie van de drie?, zeggen we dan.

Leerling: En had u speciale computers soms in uw klas staan toen?
Els: Lieve schat, computers. Oh oh. (Ze lacht). Zal ik jullie nou eens iets opbiechten? Mijn dochter wil het niet horen en heel veel vriendinnen van me ook niet. Maar ik ben nog een echte digibeet. En weten jullie wat dat is?
Leerling: Iemand die goed met computers kan omgaan?
Els: Juist niet. Juist andersom: iemand die het daar helemaal niks meer mee wil van doen hebben. Helemaal niks. Nee. Ik wil nog heel graag alles gewoon zo als ik het altijd heb gedaan. Iemand in de ogen kunnen kijken en een praatje maken of iemand opbellen. Maar ik heb alles in huis hoor, jullie zullen het niet willen geloven. Vijf jaar geleden heeft de vader van mijn dochter die heeft alles met me gekocht en alles aangesloten en alles uitgelegd en het is onder mijn bank terechtgekomen en ik doe d’r helemaal niks mee.

Trudy (Cicero): Als ik even mag inbreken.
Els: Ja.
Trudy (Cicero): Kan je dan misschien iets vertellen hoe je dán les kreeg. Want boekjes. Hoe leerde je lezen bijvoorbeeld? Want ja, je had geen computer, maar...
Els: Ja, alles was natuurlijk met boeken. Ja. De meest simpele. Rekenen ook jongens. Alles ging met boekjes. Rekenboekjes, taalboekjes, geschiedenis: alles uit de boeken. Ja. Maar computer. Hoe lang is de computer er eigenlijk? Een jaar of 25 schat ik ongeveer in. Weten jullie dat?
Leerling: Nee niet precies.
Rogier (TIVI Producties): Jaren '80 denk ik, zo’n beetje.
Els: Oh ja? Ja? Ja, dat zou kunnen. Ja. Ik zou dat allemaal niet precies durven zeggen. Maar wij hadden gewoon ja met alles, middelbare school ook nog, gewoon alles met de boeken. Dat is allemaal van ná die tijd.

Trudy (Cicero): Had jij aap, noot, mies?
Els: Nou nee zó ver ging het niet. Nee, nee. Ik heb wel de ouwe leesplank nog, van mijn ouders. Ja, maar nee, wij hebben geen aap, noot, mies meer gedaan. We hadden wel die prachtige schoolplaten, want wij schreven echt nog met schoonschrift. Jaah! En met pen hè, met de inktpot. Wij hadden dus aan de bovenkant van je lessenaartje, daar had je dan zo’n zo’n beetje laagvallend vakje. Daar konden je pennen in en je potloden en in het midden zat dus een inktpot met echte inkt in en je moest je pen dus dopen in de inktpot om te kunnen schrijven. En er waren wel eens van die ondeugende jongens. Want die meisjes hadden heel veel, zeker ook op die christelijke school, net als jij, heel lang haar en dan gebeurde het wel eens dat je staart in dat inktpotje achter je werd gedouwd. En dat was niet leuk en dat was strafregels schrijven hè. Want dat kon natuurlijk niet. Nee. Ja, zo was het.

Leerling: Werd er in uw klas of op school gepest?
Els: Nee dat is iets waar ik me de laatste jaren natuurlijk ook heel veel aan heb proberen terug te denken. Maar nee, daar kan ik me absoluut niks van herinneren. En dan denk ik: gelukkig ook maar, want ik denk als ik het me niet kan herinneren dat het ook niet gebeurd is. Want ik denk dat dat iets is wat je nooit zal kwijtraken als dat gebeuren zou in je klas.
Leerling: Nee.
Els: We waren gelukkig allemaal goed met elkaar. Ja. Iedereen kwam ook bij iedereen thuis. Dat was hartstikke gezellig. Ik had schoolvriendjes en vriendinnetjes die woonden in Delfgauw en in Den Hoorn. En oh, we liepen overal naar toe. Want fietsen hadden wij ook niet. Ik kreeg denk mijn eerste fiets toen ik naar de middelbare school ging. Want, ja toen moest ik verder weg. En de basisschool lag allemaal dicht bij huis. Maar. En dat was toen nog een tweedehands fiets. Van een tante van me. Die ging emigreren. Die ging naar Brazilië emigreren en ik mocht haar fiets hebben. Maar toen moest mijn vader er nog blokken op zetten, want anders was 'ie nog te hoog. Kennen jullie dat?
Leerling: Nee.
Els: Blokken? Nee? Als je dan een fiets... Ja, in een familie waren dan wel eens fietsen. Maar ja, het ene kind was d’r uitgegroeid en het andere kind was er nog te klein voor. En dan op de trappers zetten de vaders dan houten blokken op zodat je dat stukje extra had en je toch er op kon fietsen. Dat noemden we blokken.
Leerling: Slim.
Els: Ja heel slim. Ja, want als je niet veel geld hebt, dan moet je slim zijn. Want er was geen...

Leerling: Had u ook een Cito-eindtoets aan het eind?
Els: Nee lieverd, daar werd toen ook nog niet aan gedaan. Nee. Geen Citotoets. Nee. Ik heb net verteld wij kregen dan wel Franse les om je eventueel als je naar een vervolgschool zou gaan waar dat nodig was je daar toch een beetje vast op ingespeeld was. En, ja ik ging dan naar de middelbare school maar wij hadden geen toetsen. Ik heb wel toen toelatingsexamen moeten doen hè, maar dat was alleen als je naar de middelbare school ging. De andere vormen van onderwijs daar hoefde dat niet voor.

Leerling: En had u ook niveaus op de lagere school?
Els: Nee, dat hadden we niet. Alles ging gewoon op een grote hoop. Alles op een grote hoop. Ja. En de één presteerde ietsje beter, de ander presteerde goed. Maar ik heb het eigenlijk ook niet meegemaakt, want dat gebeurde toch ook wel in die tijd, zeker ook op de middelbare school, dat je niet overging naar een volgende klas. Maar op de lagere school geloof ik niet dat dat gebeurd is. Ik heb dat op de middelbare school moest je ieder jaar moest je wel weer een paar vriendjes en vriendinnetjes missen die dus moesten blijven zitten. Ja, dat gebeurde wel. Maar geen niveaus en geen Citotoetsen. Wat was het toen toch makkelijk. Hè?

Leerling: Waarom hadden uw ouders voor de basisschool gekozen?
Els: Ja lieverd ik denk dat dat verplicht was. Toch?
Leerling: Nee, ik bedoel meer: voor deze basisschool.
Els: Oh, voor deze. Nou, ten eerste was mijn moeder die was van die kerkelijke richting waar de school dus ook voor stond: hervormd of gereformeerde grondslag. Mijn vader die was Oostenrijker, die is in Oostenrijk katholiek grootgebracht. En die is hier in Nederland gekomen en met mijn moeder getrouwd. Ja, hij is wel met m’n moeder ook in de kerk getrouwd maar hij heeft eigenlijk zelf nooit zo veel aan dat geloof gedaan. Hij vond het prima dat mijn moeder dat deed en dat de kinderen ook in die richting opgevoed werden. Maar, dat was ten eerste. En ten tweede: wat in die tijd dan denk ik ook wel heel belangrijk was dat de school stond dicht bij waar je woonde. Want ja mijn moeder fietste niet. Mijn vader moest naar z’n werk. En als ik dan heel ver op school gezeten had, ja hoe kom je dan op school? Kinderen gingen ook niet met de bus naar school, of met een tram; dat was in die tijd allemaal niet. Dus je zocht toch meestal een school die dicht bij huis stond, zodat de kinderen van huis uit gewoon naar school konden lopen, ook in de middagpauze naar huis om een boterhammetje te eten en dan weer terug naar school. En de ouders die hoefden daar dan gewoon verder niet naar om te kijken. Dat was het gemak.

Leerling: Vond u zelf uw school ook leuk?
Els: Ja hoor. Ik heb daar alleen maar hele leuke herinneringen aan. Zeker weten. Ja. Heel veel geleerd, heel veel opgestoken, heel veel leuke vriendinnetjes en vriendjes. Ik kwam overal altijd thuis. Het was allemaal heel gezellig. Ja.
Leerling: Gelukkig maar.
Els: Gelukkig maar. Precies!

Leerling: Hoe werden de vakken door de meesters gedaan of de juffrouws?
Els: Ja, ik denk dat het allemaal een beetje. Het was van die boekjes die boekjes die hebben we voor dit schooljaar en daar moeten we mee aan de gang. En daar kwam, zoals jullie nú bezig zijn, ook weinig omheen. Dat was gewoon dat boekje en die stof die moest geleerd worden en daar werden vragen over gesteld. Maar zoals het onderwijs tegenwoordig is, ik weet het dan een klein beetje, omdat ik nog altijd een gezin heb met oppaskinderen. Dus ik ben er een klein beetje in mee blijven groeien. Maar zoals het bij ons was jongens, nee dat was heel simpel. Heel simpel.

Leerling: Zagen de klaslokalen er ook uit zoals nu?
Els: Nou, ik denk dat dat niet veel uitmaakt. Nee, nee als ik zo hier rondkijk, ook met die ramen. Deze school staat natuurlijk ook al best wel lang. Weet iemand wanneer deze school gebouwd is?
Leerkracht: 1927.
Els: 7 en?
Leerkracht: 1927.
Els: 20. Ja, kijk. Dat zou heel goed toch een beetje dezelfde tijd geweest kunnen zijn. Want mijn broer is bij ons de oudste, die is nu 78. Dus 72 jaar geleden. Ja, dat was dan 1940 dat hij naar school ging. Maar toen stond die school er al, maar deze stond er ook al.

Leerkracht: Overigens is dit lokaal helemaal nieuw gebouwd.
Els: Ja dat heb ik wel. Dat dacht ik al, het ziet er nieuw uit. Ja. Ja. Maar daar zijn ook, bij de school waar ik op zat zijn ook wel aanbouwen inmiddels hoor. Dat heb ik ook wel gezien. Ja. Trudy (Cicero): Maar Els, wat hing er bijvoorbeeld aan de muur?
Els: Ja natuurlijk een schoolbord. Maar dat was niet zoals dit hè. Dat was nog gewoon een bord waar je met krijtjes op schreef. Ja? Kijken jullie wel eens per ongeluk naar Little House on the Prairie?
Leerling: Ja.
Els: Mag hoor. Moeten jullie ook niet naar kijken, da’s leuk voor meisjes. Ja toch? Nou daar zie je ook nog echt een schoolbord en krijtjes, weet je wel? Maar ja en heel veel schoolplaten die oudere platen met geschreven het ABC en van die prachtige natuurplaten. En Ot en Sien. Die grote platen met Ot en Sien erop. Ik heb er een paar jaar geleden nog eens één gekocht op een rommelmarkt. Toen was ik in Vledder geloof ik. Het was een hele grote plaat van Ot en Sien. Ik zei: “Oh, die wil ik hebben”. En hij was helemaal op hout was ie dus geplakt. “Meneer, wat moet 'ie kosten”? “Nou mevrouw”, zei die, “5 euro”. Ik zeg: “Oh dan neem ik hem mee”. We waren al met zijn vijven in één auto en dan moet die grote plaat ook nog mee. Maar hij is meegegaan. En hij heeft heel lang gehangen in de Simon Carmiggeltschool, want daar werkte dus een dochter van een van mijn vriendinnen. En mijn vriendin had het verteld. Toen zei ze: “Oh wat zou ik die graag op school willen hebben”. Ik zeg: “Hartstikke leuk”. En nu hangt 'ie in Amsterdam op de studentenkamer van mijn oudste oppasmeisje. Die is 20 jaar, Maike (fonetisch), en die wilde graag die plaat op haar kamer hebben.

Trudy (Cicero): Ik denk dat jouw interviewers niet weten wie Ot en Sien is.
Els: Kennen jullie de plaatjes van Ot en Sien?
Leerling: Ja.
Trudy (Cicero): Oké.
Leerling: Ik weet dat het een jongen en een meisje is.
Trudy (Cicero): Ja, oké.
Els: Oh ja dat is ook al weer zo wat. Ja, maar luister eens. Ja als ik dat nou uit moet leggen dan durf ik dat ook niet zo heel goed.
Trudy (Cicero): Het was toch een boek? Het was toch een leesboek?
Els: Ja het was een boek.
Trudy (Cicero): Daar leerden jullie toch uit lezen?
Els: Van Ot en Sien.
Trudy (Cicero): Oké.
Els: Ja. Inderdaad. Maar dat waren zulke leuke tekeningen. En ja die zijn later ook als die grote klaslokalenposters tevoorschijn gekomen. En landkaarten hadden wij ook hangen in de klas. De muren waren behoorlijk vol behoorlijk, ja die waren echt behoorlijk vol. Zó was het.

Leerling: Zaten jongens en meisjes door elkaar in de klas?
Els: Ik geloof dat niet dat een jongen en een meisje samen in één bankje zaten maar we zaten wel her en der verspreid. Hup, twee jongens hier en twee meisjes daar. Dat maakte niet uit.
Leerling: En wat nou als er meer meisjes waren dan jongens?
Els: Dat maakte niet uit. We hadden een paar bankjes meer nodig voor de meisjes dan voor de jongens, maar die werden wel gevuld. Ja. Maar de katholieke scholen in die tijd, weet ik nog, daar gingen, had je aparte jongens- en meisjesscholen; die gingen niet met elkaar naar school. Ja, dat was in het katholieke geloof was dat toch weer anders. Maar ik vond dat wel gezellig hoor, met al die leuke jongens. Want anders was ik afgelopen zondag mijn vriendje Fred niet tegengekomen die bij mij in de klas zat. Die kwam ik na 60 jaar ineens tegen. En we kenden elkaar nog precies. Ja, dat zijn hele leuke dingen. Ik hoop dat jullie dat soort dingen later ook mee gaan maken. Hè? Want dat moet je koesteren, zeggen we dan.

Els: Oké, was jij aan de beurt?
Leerling: Ja. Wat was het leukste vak bij u op school?
Els: Wat vond ik het leukste vak? Oei, dan moet ik toch wel even denken hoor. Ik denk eerst handwerken. Ja dat zegt jullie niks. Jullie hebben tegenwoordig handenarbeid.
Handenarbeid, meester?
Leerkracht: Ja.
Els: Ja dat is nog altijd zo. Ja en daar wordt denk ik bij jullie heel veel aandacht aan besteed, toch ook wel.
Leerkracht: Ze hebben geen handwerken meer op dit moment.
Els: Nee, maar handwerken was dan voor de meisjes. Want wij, ja en de moeders moesten leren breien en naaien en borduren en nou ja, ik weet niet wat allemaal. Maar de jongens zullen dan in dat stukje wat anders gedaan hebben. Dat weet ik niet zo goed. Misschien gingen die tekenen. En ik denk dat we ook naar een aparte ruimte gingen voor het handwerken, want daar had je dan natuurlijk in de handwerkklas, ja daar was al het materiaal al aanwezig wat je dan ook nodig had om te breien en te haken en te naaien en al dat soort dingen. Ik heb nog wel brei- en haakstukjes liggen thuis van de basisschool. Die blijven heel lang goed. Ja.

Leerling: En wat was dan het minst leuke vak?
Els: Wat vond ik het minst leuke vak? Ik denk niet dat ik ergens in die tijd een hekel aan had. Dat geloof ik niet. En ik was ook wel, ik had ook wel weer heel veel mazzel hoor, want ik was best wel een goeie leerling. Want ik weet dat in die tijd, dat ik zat dan in de eerste klas - wat bij jullie dan groep 3 is - en toen wilde de juffrouw van die klas, die wilde mij al van de eerste klas ineens overhevelen naar de derde klas. Nou, dat was in die tijd ik denk best niet zo gebruikelijk. Maar toen heeft mijn vader gezegd: “Nee, dat doen we niet. Els gaat gewoon met de andere kinderen mee naar de tweede klas”. Dus, prima. Maar ik denk dat ik alles gewoon leuk vond. En ik was leergierig. En het ging ook allemaal makkelijk. Dat is natuurlijk ook al een heel groot pluspunt als je makkelijk kan. Maar nee, ik had geen dingen waarvan ik dacht: brr. (Ze maakt een geluid van ‘niet leuk’). Nee.
Een leuke gymnastiekles tussendoor dat hadden we natuurlijk ook, dat was ook leuk. En schoolzwemmen, was ook leuk. Maar dat zijn geen echte vakken. Hè. Dat zijn dingen die we ook nodig hadden.

Leerling: Had u speciale dingen op het schoolplein zoals een klimrek of een voetbalkooi?
Els: Nee. We hadden een hartstikke leuk en een heel groot schoolplein, maar d’r stonden absoluut geen attributen op. Nee. Dus ja wat deden we? Tikkertje en touwtjespringen en ja dat soort dingen, maar we hadden geen apparaten op het schoolplein staan. Dat moesten we dan vinden in de gymzaal: daar konden we klimmen en daar konden we bokkiespringen over de bok en paardspringen op het paard. Maar, nee geen dingen op het schoolplein. Dat was er niet.

Leerling: Waren er soms speciale ballen of kegels of zo voor het schoolplein?
Els: Nee, ook niet. Echt helemaal niks. Het was een arme tijd denk ik. Het was vlak na de oorlog. Ja. Want in ‘45 is de oorlog, of was de oorlog afgelopen. En ik ging in ‘47 naar school. Eerst de kleuterschool, toen ik vier jaar was. Toen was het nog oorlog. En toen ik bijna zeven was, ging ik naar de lagere school, naar de basisschool. Ja. Maar geen leu.., geen, nee. Geen leuke dingen op de schoolpleinen, maar wij vermaakten ons prima hoor.

Leerling: Had u aan het eind van groep 8 een soort van afscheid of zoiets?
Els: Ik geloof het niet. Ik geloof niet dat daar iets speciaal aan gedaan is. Nee. Het was gewoon op, over en uit. En ja, we woonden bijna allemaal toch ook bij elkaar in de buurt. Dus we hadden ook niet zoiets van we gaan elkaar nooit meer zien. Dat was ook niet. Nee. Ik heb pas nog weer een lager schoolvriendinnetje ook op bezoek gehad. Het lijkt wel of het op het ogenblik allemaal op me afkomt. Die zat twee klassen lager en die kwam ik, die kwam ik tegen ook. En ik dacht: goh, volgens mij is dat Rietje Sandifort (fonetisch). En toen heb ik haar aangesproken en ja hoor. Die is inmiddels ook een middagje bij me wezen bijkletsen. Nou, dat zijn allemaal zulke leuke dingen. Ja. En die wist weer dingen die ik niet meer wist. We hadden toen. Hebben jullie nog een poëziealbum? Wordt daar nog aan gedaan?
Leerling: Nee.
Els: Nee hè. Nee, dat is tegenwoordig niet meer. Maar wij schreven in elkaars poëziealbum en daar werden dan van die mooie plaatjes bij geplakt. En ik wist van haar dat haar moeder in mijn poëziealbum had geschreven, maar ik wist niet meer dat zij als meisje van net acht jaar in mijn eerste poëziealbum had geschreven. Maar daar kwam ik later ook achter. Dus toen ze bij me op bezoek is geweest. Ik zeg: “Nou, ik heb nou iets gevonden daar wist ik niks meer van”. Maar dat. Ja. Heel veel herinneringen opgehaald. En vorig jaar had ik een schoolvriendin van de eerste klas van de middelbare school; dat was toen 60 jaar geleden dat ik die voor het eerst leerde kennen en dat hebben we gevierd met samen een dagje uit. Dus jongens, als jullie allemaal ouder mogen worden, je hoeft je nooit te vervelen hoor want het leven blijft bijna altijd gewoon leuk. Maar verlies niet de goeie mensen uit je omgeving uit je oog, want dat heb ik heel erg ervaren. Ja? Doen hè?

Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies